to thine own self be true

Posted on mei 15, 2017

In het eerste bedrijf van Shakespeares Hamlet geeft Polonius zijn zoon Laertes voor vertrek wijze adviezen en besluit met:

This above all: to thine own self be true,
And it must follow, as the night the day,
Thou canst not then be false to any man.
Dit bovenal, – wees eerlijk voor uzelf;
En er moet volgen, als de dag den nacht,
Dat gij niet valsch kunt zijn voor wie dan ook.

Voor Polonius’ gehele advies:

Yet here, Laertes! Aboard, aboard for shame!
The wind sits in the shoulder of your sail,
And you are stay’d for.
There … my blessing with thee!
And these few precepts in thy memory
Look thou character. Give thy thoughts no tongue,
Nor any unproportion’d thought his act.
Be thou familiar, but by no means vulgar.
Those friends thou hast, and their adoption tried,
Grapple them to thy soul with hoops of steel;
But do not dull thy palm with entertainment
Of each new-hatch’d, unfledg’d comrade. Beware
Of entrance to a quarrel but, being in,
Bear’t that th’ opposed may beware of thee.
Give every man thy ear, but few thy voice;
Take each man’s censure, but reserve thy judgement.
Costly thy habit as thy purse can buy,
But not express’d in fancy; rich, not gaudy;
For the apparel oft proclaims the man;
And they in France of the best rank and station
Are of a most select and generous chief in that.
Neither a borrower, nor a lender be;
For loan oft loses both itself and friend,
And borrowing dulls the edge of husbandry.
This above all: to thine own self be true,
And it must follow, as the night the day,
Thou canst not then be false to any man.
Farewell; my blessing season this in thee!
Nog hier, Laertes? Aan boord, aan boord,’t is schande,
De wind zit in de hals al van uw zeil,
Er wordt op u gewacht. Daar, neem mijn zegen;
(Leggend zijn hand op Laertes’ hoofd.)
En tracht mijn luttel weinige voorschriften
Te griffen in het brein. Denk nooit hardop,
En maak ónklare denking niet tot daden;
Gemeenzaam moogt gij zijn, maar niet gemeen;
Wanneer ge vast-beproefde vrienden hebt,
Klamp ze aan uw ziel met stalen haken vast,
Maar laat in de omgang niet de hand vereelten
Door ieder piep-kaal pochertje. Vermijd
Krakeel en twist; maar, eens er in geraakt,
Zorg das ge ontzien er weder buiten treedt.
Leen iedereen het oor, uw stem slechts enkelen,
Weeg wat elk meent, schort eigen oordeel op.
Kostlijk uw dracht zij, naar het past uw beurs,
Niet buitensporig zwierig, rijk niet bont:
Want ‘t kleed zeer dikwijls toont wat man het draagt;
‘t Zijn juist in Frankrijk de eêlsten, hoogst-geplaatsten,
Die ‘t keurigst en ‘t voornaamste zijn daarin.
Geen borger zult gij zijn, ook niet een leener;
Bij leening gaat èn vriend èn geld verloren,
En borgen stompt het scherp van ‘t overleg.
Dit bovenal, – wees eerlijk voor uzelf;
En er moet volgen, als de dag den nacht,
Dat gij niet valsch kunt zijn voor wie dan ook.
Vaarwel; mijn zegen binde in u dit alles.

Uit: Hamlet, Shakespeare, vertaald door Jac. van Looy, illustraties van Rie Cramer, W. de Haan, Utrecht, ca. 1920;p.23.

 

# # # #